Vakkundig docentschap beroepsonderwijs - voor een duurzame en menswaardige samenleving

Studie belicht de schrijnende situatie van thuiszi

Studie belicht de schrijnende situatie van thuiszitters – en hun aantal neemt toe

13 okt 2019 | Nieuws

Het aantal leerlingen dat langer dan drie maanden thuiszit en niet naar school gaat – ‘thuiszitters’ – stijgt. Een toename die onderzoekers al jaren zien en die doorzet, ondanks de inspanningen die voortvloeien uit het Thuiszitterspact (2016) of Passend onderwijs (2014). Vanuit de onderwijspraktijk wordt de omgang met leerlingen met gedragsproblemen als moeilijk ervaren en in verband gebracht met het aantal thuiszitters dat niet terugloopt maar zelfs oploopt. Dat blijkt uit de studie ‘Niet thuisgeven - Schooluitval vanuit het perspectief van leerlingen’ van het Kohnstamm Instituut en Altra Onderwijs & Jeugdhulp.

Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) stelde in 2017 subsidie beschikbaar gesteld voor praktijkgericht onderzoek naar gedrag en (passend) onderwijs: ‘Leraren, in primair en voortgezet onderwijs, vinden passend onderwijs vaak een belasting. Vooral de omgang met en aanpak van leerlingen met probleemgedrag vinden zij moeilijk’ (NRO, 2017).

Achtergronden

De achtergronden en de situaties waarin thuiszitters zijn schrijnend. Het scala aan oorzaken en problemen waarmee ze worstelen is breed. Niet zelden is sprake van een cascade aan gebeurtenissen. Hulp, volharding in de begeleiding, en geloof in leerlingen en zo  mogelijk onderwijs op maat zijn hierbij onontbeerlijk. Enkele reacties die de onderzoekers van leerlingen noteerden:

“Ik ging niet meer naar school, mijn moeder had erge problemen  (wil hij niet op ingaan) en ik ben in een pleeggezin geplaatst.” Zijn pleegouders hebben hem na enige tijd naar S2C weten te bewegen. Hij geeft aan dat hij nu dankzij zijn pleegouders en mentor (van S2C) weer naar school gaat. Hij heeft zijn HAVO afgebroken en volgt op S2C VMBO-t. De problemen van zijn moeder waren aanleiding om niet meer naar school te willen (niet tussen de andere leerlingen willen zijn).

“Ik ging niet meer naar school omdat het thuis niet goed ging. Mijn broer heeft een schizofreniestoornis, er was veel agressie thuis, mijn moeder is alleenstaand en kon het niet aan, ik ontvluchtte het huis, de ruzies. Ik ben gaan zwerven en buiten gaan slapen.” Deze leerlinge heeft lang geen schoolgang gehad door de problemen thuis, zij is op een gegeven moment weggelopen van huis. Uiteindelijk is haar broer opgenomen en is zij weer naar huis gegaan, zij woont ten tijde van het interview weer met haar moeder samen. Zij zorgt voor haar moeder, haar mentor van de Bascule (aanwezig op S2C) begeleidt haar bij de omgang met moeder, zij heeft de neiging te veel voor haar moeder te zorgen, wat de schoolgang of het leren belemmert. Zij heeft haar HAVO afgebroken en volgt op nu S2C VMBO-t. De integrale aanpak school en hulp slaat aan.

Focus

Voor het onderzoek lag de focus op ‘gedragsproblemen’ waarbij, aldus de studie, ‘wordt opgemerkt dat dit natuurlijk een containerbegrip is waarvan niet duidelijk is wat daar (met name vanuit het onderwijs) precies onder wordt verstaan’. Op basis van de empirische wetenschappelijke literatuur was de verwachting vooraf dat achter de thuiszittersproblematiek gedragsproblemen schuilgaan; die samenhangen met moeilijk hanteerbaar gedrag op school en in de klas; dat jongens hierin een groter aandeel hebben dan meisjes; dat ze onvoldoende gemotiveerd zijn voor school; dat hun cognitieve capaciteiten tekortschieten; dat er meer schoolwisselingen plaatsvinden op grond hiervan; dat er vaker een negatief schooladvies ligt bij de transfer naar het voortgezette onderwijs. Voorts werd aangenomen; dat het bij hen thuis ontbreekt aan een voldoende mate van ouderbetrokkenheid en sociaal kapitaal; dat zij uit een economisch gedepriveerde achtergrond komen (lage SES); dat de sociale cohesie op school voor hen tekortschiet of dat zij deze verstoren; dat zij vaker dan andere leerlingen te maken hebben met justitiële maatregelen; dat zij vaker uit stedelijke gebieden komen; dat cultuur een rol speelt, en dat de laatste school vaker een focusschool is ( uitsluitend vmbo in plaats van diversiteit in typen onderwijs).

Een aantal aannames zoals hiervoor genoemd is in het onderzoek niet bevestigd, aldus de onderzoekers. ‘Wij vonden voor de zuiver externaliserende gedragsproblematiek (oppositioneel en opstandig) geen hogere (maar zelfs lagere) kans op thuiszitten; juist voor meisjes een licht hogere kans op thuiszitten; voor internaliserende gedragsproblematiek een hogere kans op thuiszitten,  en geen indicaties dat een gebrek aan schoolmotivatie of cognitieve problemen bepalend zijn voor thuiszitten. Ook vonden wij dat ouderbetrokkenheid en sociaal kapitaal als termen niet weergeven wat thuis speelt (uit onze analyse komen ‘relatieproblemen tussen ouders’, ‘gescheiden ouders’, ‘problemen met loyaliteit van kind naar ouder’ en ‘geen contact met een ouder’ naar voren; uit de interviews met leerlingen wordt dit verder ingekleurd met overbelasting van ouders, overmatige stress of ernstige problemen thuis); dat vaker gebukt gaan onder justitiële maatregelen wel naar voren komt, maar bij thuiszitters met name in civielrechtelijke zin, zoals politiecontacten vanuit een beschermend optreden (i.v.m. weglopen, vermissing en opsporen) of gesloten plaatsingen en specialistische hulp (zoals jeugdzorg plus, GGZ hulp).

Voorspellers voor thuiszitten

De studie stelt: De kans dat meisjes thuiszitter is iets groter dan voor jongens. Geslacht is alleen in een directe relatie als voorspeller gevonden, we zijn voor een tweetal clusters nagegaan of geslacht van invloed is als moderatorvariabele (bij de clusters internaliserende problematiek/truancy en veiligheid en gedragsproblemen). Dit was niet het geval: er is geen interactie-effect tussen geslacht en de clusters zoals geformeerd. Onder de thuiszitters zitten zowel meisjes als jongens (28 om 35), maar de kans om thuiszitter te worden is voor meisjes iets groter.

De groep jongens met ernstige gedragsproblemen (opstandig en/of antisociaal gedrag; behavioral problems) correleert bovendien negatief met thuiszitten en staat zogezien in onze sample minder in verband met thuiszitten dan verwacht. Bij hen lijkt eerder sprake van verzuim tussen schoolwisselingen door, zij worden waarschijnlijk vaker van school gestuurd, maar gaan bij schoolwisselingen wel weer naar school en worden uiteindelijk geen thuiszitter. Zij kennen een intermitterend verzuim door schoolwisselingen, maar mijden geen school, wel is er sprake van een groter aantal scholen.

Bovendien blijken thuiszitters eerder ‘school mijdend’ te zijn, kwetsbaar voor teruggetrokken gedrag, isolement (overwegend internaliserende problematiek en overgewicht) en buitengesloten of gepest worden en niet zozeer de leerlingen met ernstige (overwegend externaliserende) gedragsproblemen in de zin van oppositioneel of antisociaal gedrag (zie CAP-J) zoals driftig gedrag, vaak ruzie, weigeren om zich te voegen of vechten, stelen, liegen, niet tonen van spijt of kil narcisme en pesten (pp. 50-52). Voor dit probleemdomein vormt intermitterend verzuim (van school gestuurd worden en kort verzuim tussen verschillende scholen) of handhavingsproblemen in de klas het probleem. Zie in dit verband paragraaf 3.3, waarin staat toegelicht dat een relatief kleine groep (de ‘zuivere’ externaliserende gedragsstoornissen gepaard met politiecontacten en/of crimineel gedrag) grote sociale impact of gevolgschade kan veroorzaken. Het thuiszitten (ernstig langdurend verzuim, i.c. niet meer naar school gaan) staat in deze ‘cluster 4’ sample echter veel meer in verband met (overwegend) internaliserende problemen: identiteitsproblemen, automutilatie, overmatige stress, overgewicht. De internaliserende of school-mijdende leerlingen met problemen (vgl. truancy/ avoidant withdrawal) lopen een grotere kans om ‘thuiszitter’ te worden.

Overmatige stress, overgewicht en problematisch cannabisgebruik zijn als voorspellers van thuiszitten geïdentificeerd. Deze variabelen of probleemfactoren kunnen natuurlijk al dan niet in combinatie met de andere problemen voorkomen en verdienen vervolgonderzoek.

Concluderend

Concluderend kunnen wij stellen dat het belangrijk is dat scholen (nog) meer aandacht hebben voor de persoon en omstandigheden achter de leerling. Dat zij gedrag (waaronder verzuim) zien als een signaal voor tijdige interventie, ook op of via school, in plaats van een ‘automatische’ indicatie voor voortgezet speciaal onderwijs of het plaatsen op een lager onderwijsniveau.

Meer informatie:

Contactpersoon: Marion van Binsbergen, Sanne Pronk

Samenwerkingspartners: Altra Onderwijs & Jeugdhulp

Voor het hele rapport, klik hier

 
 

 
Meer over
 

COOKIE INFORMATIE

Voor een volledige werking van deze website wordt gebruik gemaakt van cookies.
Meer informatie over cookies > Accepteren Alleen noodzakelijke cookies