Vakkundig docentschap beroepsonderwijs - voor een duurzame en menswaardige samenleving

Monument_Kamp_Westerbork.jpg

‘Het leven in mij heb ik weten te bereiken’ – Etty Hillesum (1914-1943)

15 sep 2019 | Column | Ben Claessens, hoofdredacteur

In deze maanden wordt de bevrijding van Nederland, 75 jaar geleden herdacht. (zie de NOS-site). We herdenken de bezetting, ook die in vele andere landen, de gruwelijke onderdrukking en de immense gevolgen, de vele miljoenen mensen die in die oorlog stierven. We beseffen niet altijd dat die oorlog destijds wereldwijd aan 55-70 miljoen mensen het leven heeft gekost. Onvoorstelbaar. De waan van sommigen kan miljoenen in zijn greep krijgen en eenmaal ontketend is de kracht van het geweld amper of zelfs niet meer te beheersen.

Een van de personen die er aan den lijve mee werd geconfronteerd, is Etty Hillesum, een jonge Joodse schrijfster die in maart 1941, ze was toen 27, een dagboek begon. Ze bleef daarin schrijven, evenals in vele brieven, bijna tot op de dag dat ze vanuit kamp Westerbork, waar ze vanaf eind juni 1942 met tussenpozen zat, met haar ouders en haar broer Mischa naar Auschwitz werd deporteerd. Daar overleed ze op 30 november 1943. Vermoord, omdat ze Joods was. Etty volgde een pad van inkeer, een spirituele weg, als autodidact, geheel op eigen kracht, een kracht die haar verlangen  naar zingeving aanwakkerde, een kracht die haar deed uitstijgen boven de weerbarstigheid, boven de gevaren en boven de waanzin van alledag. Niet door dit alles te omzeilen of te ontkennen maar juist door alles toe te laten, zich ervoor open te stellen, zonder reserve, onvoorwaardelijk, door dit alles te verteren als zijnde haar bestaan en aldus door te dringen tot de diepten van alle dingen.

Een belangrijke gewaarwording in haar vroege schrijfperiode is wanneer ze beseft hoe ‘zinnelijk’, ja ‘hebberig’ ze is, dat ze datgene naar waar ze lichamelijk sterk verlangt, wil hebben, een verlangen dat langs die weg ‘nooit te bevredigen was’. Ze ontdekt dat ze door naar buiten te kijken op een dwaalspoor zit. Ze wordt ertoe bewogen op zoek te gaan naar een andere mogelijkheid ‘bij het leven te komen’. In september 1942 schrijft ze dat ze niet goed weet hóe bij het leven te komen. ‘Dat was, omdat ik nog niet bij het leven in mijzelf gekomen was.’

Temidden van de onmenselijke hogedrukketel van de oorlog en de vervolging van de joden, leert ze door te dringen tot haar kern. En daarmee tot de kern van ons aller bestaan. ‘Het leven in mij heb ik weten te bereiken ( )’. Ze omschrijft de weg er heen als volgt: ‘Ik heb bij mensen wel eens het gevoel of ze te massief zijn, ze me het uitzicht op iets benemen, een gevoel, ze van me af te willen duwen. Wat verwacht je voor een uitzicht, als je al het substantiële om je heen wegduwt? Verwacht je daar dan de échte werkelijkheid? Niet het substantiële wegduwen, maar doorhéén kijken, het zó doorbelichten met je begrip dat het transparant wordt en de daarachterliggende werkelijkheid opduikt. Niet wegduwen, omdat je dan in het luchtledige komt, maar dóórlichten. ( ) Je hebt nergens voor je zelf een houvast aan concrete dingen in deze dagelijkse werkelijkheid, je gaat er aan voorbij omdat je opzoek bent naar een andere werkelijkheid, maar die weg gaat alleen maar door die substantiële, grijpbare, realiteit. Als je die verwaarloost, tuimel je op een gegeven moment in het luchtledige en mis je je houvast. En sta je daar opeens als een dronken dwaas.’

Ze doorklieft de wilde, ja, overweldigende golven van de gebeurtenissen en ervaart de grote oceaan in zichzelf: ‘Wanneer men, na een lang en moeizaam proces, dat dagelijks verder gaat, is doorgebroken tot die oerbronnen in zichzelf, die ik nu maar God wens te noemen, en wanneer men er voor zorgt, dat die weg tot God vrij en onverbarricadeerd blijft – en dat geschiedt door ‘werken aan zichzelf’ – dan vernieuwt men zich steeds weer aan die bron en dan hoeft men ook niet angstig te zijn, dat men te veel krachten geeft.’ ( ) ‘En zo is mijn levensgevoel tegenwoordig: mijn leven gaat als een grote, rijke, machtige stroom door me heen, gevoed door oneindig vele kleine bijriviertjes…’

Ze komt in Westerbork en verstaat de medemens en tijd: ‘En toen werd ik plotseling geslingerd in een brandpunt van menselijk lijden, aan één van de vele kleine fronten die over heel Europa zijn. En daar beleefde ik plotseling dit: uit de gezichten van de mensen, uit duizenden van gebaren, kleine uitingen, levensgeschiedenissen, begon ik deze tijd – en veel meer dan deze tijd alleen – bijeen te lezen. Doordat ik in mezelf had leren lezen, bemerkte ik, dat ik ook in anderen kon lezen. Het is me daar werkelijk geweest, alsof ik met gevoelige vingertoppen getast heb langs de contouren van deze tijd en van het leven. Hoe komt het toch, dat dat met prikkeldraad omrasterde stukje heidegrond, waar zoveel mensenlot en –lijden áán en dóórspoelde, als bijna liefelijk in m’n herinnering is achtergebleven? Hoe komt het dat m’n geest daar niet verduisterde, maar veeleer verlicht en verhelderd is? ( ) Daar tussen de barakken, vol opgejaagde en vervolgde mensen, heb ik de bevestiging gevonden van mijn liefde voor dit leven.’

Haar innerlijke proces roept ons allen aan. Het gaat er niet om wat we ervaren weg te drukken of te ontkennen, integendeel. Het is juist dát, die directe ervaring in en van ons alledaagse bestaan, waar de ingang tot onze innerlijke wereld zich bevindt. Ze schrijft: ‘Men loopt zo vaak weg van zichzelf – men ziet en hoort dit voortdurend om zich heen –  onder het motto: dat is toch niet belangrijk, of: er gebeurt zoveel belangrijks in de wereld, dan kan ik toch niet teveel drukte van mezelf maken. En er blijft zo verschrikkelijk veel in deze mensen liggen als onverwerkte grondstof, omdat ze geloven dat hún grondstof de moeite van het bewerken niet waard is.’

‘Ach we hebben het toch immers alles in ons, God en hemel en hel en aarde en leven en dood en eeuwen, vele eeuwen. Een wisselend decor en handeling van de uiterlijke omstandigheden. Maar wij dragen alles in ons en de omstandigheden zijn tóch niet het doorslaggevende, omdat er immers altijd omstandigheden zullen zijn, goede en slechte en het féit van de omstandigheden, de goede en slechte moet men aanvaarden, wat niet belemmert, dat men zijn leven er aan kan wijden de slechte te verbeteren. Maar men moet weten, uit welke motieven men die strijd voert en moet beginnen bij zichzelf, iedere dag opnieuw bij zichzelf.’

Bron: En mijn verrukte ogen lezen – Etty Hillesum lezing 2000

Foto: Kamp Westerbork , kunstenaar: Ralph Prins (foto: Gouwenaar – Wikipedia)

 

 
Meer over
 

COOKIE INFORMATIE

Voor een volledige werking van deze website wordt gebruik gemaakt van cookies.
Meer informatie over cookies > Accepteren Alleen noodzakelijke cookies